Google waarschuwt Brussel: digitale soevereiniteit met “muren” kan Europese concurrentievermogen vertragen

De strijd om digitale soevereiniteit in Europa krijgt er een belangrijke speler bij in het debat. Google, via zijn hoogste juridisch en internationaal verantwoordelijke, Kent Walker, heeft de Europese Unie gewaarschuwd dat een te restrictieve aanpak — gericht op het verminderen van afhankelijkheid van buitenlandse technologische spelers door barrières op te werpen — mogelijk contraproductief kan zijn. Deze boodschap komt op het moment dat Brussel werkt aan een pakket maatregelen voor “technologische soevereiniteit” dat gepland staat voor lente 2026, terwijl tegelijkertijd verschillende overheidsinstellingen in Europa hun draai naar lokale alternatieven en open source software versnellen.

De waarschuwing werd geuit in een interview dat op 13 februari 2026 werd gepubliceerd, waarin Walker sprak over een “paradox van concurrentievermogen”: Europa wil groei en productiviteit stimuleren, maar loopt het risico de toegang tot geavanceerde technologieën te beperken, die juist kunnen helpen dat doel te bereiken. Volgens hem ligt het probleem niet in het streven van de EU naar meer controle en veerkracht, maar in de interpretatie van die soevereiniteit als een afsluiting van de deuren voor wereldwijde aanbieders en tools.

Digitale soevereiniteit: van regelgeving tot infrastructuur (en software)

De Europese Unie versterkt al jaren haar regulerende rol binnen het digitale ecosysteem. Regels zoals de DMA (Digital Markets Act) en de DSA (Digital Services Act) hebben de eisen op het gebied van transparantie, competitie en verantwoordelijkheid van grote platforms verhoogd. Maar het debat van 2026 gaat verder dan alleen regelgeving: het raakt de fundamenten van de Europese digitale economie, van de cloud en data tot de software die overheden en kritieke sectoren gebruiken.

In essentie is er een dubbele kwestie. Aan de ene kant dependentie: als essentiële diensten afhangen van externe leveranciers, bestaat het risico op storingen, politieke druk of contractwijzigingen buiten het controlebereik van Europa. Aan de andere kant industrie: wil Europa eigen technologische kampioenen ontwikkelen, dan moet er binnen de markt vraag ontstaan, capaciteit worden opgebouwd en een duurzamer ecosysteem worden gecreëerd.

Deze spanning is de afgelopen maanden verscherpt door het geopolitieke klimaat en de angst voor een trans-Atlantische technologische “ontkoppeling”. Tegelijkertijd ontstaan er concrete bewegingen binnen overheden die Amerikaanse commerciële tools vervangen door Europese of open source alternatieven, met data-veiligheid en privacy als belangrijke leidraden.

De economische argumentatie voor open source software (met cijfers)

De Europese omschakel naar open source software is niet alleen politiek of cultureel gedreven. De Europese Commissie benadrukt expliciet de economische impact van open source code: een door de EU in opdracht gegeven onderzoek schat dat de bedrijven binnen de Unie rond 2018 ongeveer 1 miljard euro in open source software hebben geïnvesteerd, met een positieve invloed van tussen 65 en 95 miljard euro op de Europese economie. Hetzelfde onderzoek stelt dat een stijging van 10% in bijdragen aan open source code kan leiden tot een extra 0,4% tot 0,6% BBP per jaar en meer dan 600 nieuwe ICT-startups in de EU.

In dat kader spreekt Brussel niet alleen over “lokale software gebruiken”: het benadrukt ook het belang van het voorkomen van vendor lock-in, het verlagen van de totale eigendomskosten in de publieke sector en het vergroten van de autonomie bij digitale kernonderdelen. Het gaat om een visie van soevereiniteit die niet beperkt is tot het kopen van “Europese” producten, maar die juist in staat moet zijn tools te auditen, te controleren en te wijzigen zonder gevangen te raken.

De reactie van Google: “open soevereiniteit” en hybride allianties

Google erkent niet openlijk dat Europa meer controle wil, maar de controverse ligt in de “hoe”. Walker introduceert het concept van “open digitale soevereiniteit”: een hybride model dat lokale controle over data, naleving van regelgeving en operationele autonomie combineert met het gebruik van wereldwijde technologieën wanneer dat nodig is.

Volgens zijn verklaring gaat dat model uit van allianties tussen Amerikaanse en Europese bedrijven, zodat dataopslag en gegevensbeheer onder Europese regels blijven — inclusief localization wanneer dat van toepassing is — zonder afbreuk te doen aan de toegang tot geavanceerde technologieën, vooral nu AI zich snel ontwikkelt. Walker stelt dat het “opwerpen van muren” die toegang tot de “beste technologie ter wereld” belemmeren, eindigen in het benadelen van Europese bedrijven en consumenten.

Het is een belangrijke overweging: als het soevereiniteitskader in de praktijk leidt tot veto’s of een snelle en rigide vervanging van technologieën, kan de overgang meer kosten, vertragingen en minder concurrentiekracht betekenen. Bovendien benadrukt Google dat het al meer dan 25 jaar actief is in Europa en meer dan 30.000 werknemers heeft in 42 kantoren, wat de betrokkenheid op het continent onderstreept.

De discussie breed open: “volledige autonomie” versus “laagjeselementen van autonomie”

Het debat gaat verder dan alleen Google. Sectorexperts in Europa geloven dat volledige “total” soevereiniteit niet realistisch is. Aiman Ezzat, ceo van Capgemini, wijst op de wenselijkheid dat geen enkel land alle schakels in de keten volledig onder controle kan houden voor volledige digitale diensten. Zijn voorstel benadrukt dat autonomie moet worden gezien als een gelaagde strategie — data, operaties, regelgeving en technologie — waarin Europa sterker kan worden in bepaalde terreinen en op basis daarvan strategisch kan handelen.

Dit “gelaagde” principe weerspiegelt een realiteit waarbij, zelfs met open source software, een groot deel van de markt afhankelijk blijft van infrastructuren, chips, cloudservices, supply chains en wereldwijde ontwikkelaarsecosystemen. In 2026 lijkt soevereiniteit minder een simpele “aan/uit”-knop en meer een controlepaneel met verschillende mate van onafhankelijkheid.

Wat nu? Digital sovereignty in de praktische fase

De lente van 2026 wordt een keerpunt doordat de EU haar “technologisch soevereiniteitsprogramma” concreet moet maken in operationele beslissingen: eisen, certificeringen, overheidsaanbestedingen, lokaal gekochte cloud, interoperabiliteitsnormen en criteria voor kritieke infrastructuren.

Bij prioriteit voor open source software moet Brussel ook de grote uitdaging aanpakken van financiering en duurzame inzetbaarheid. Hoewel open source-code gratis kan zijn qua licentie, is onderhoud, audits en beveiliging dat niet. De Europese Commissie benadrukt dat haar strategie is gericht op het stimuleren van hergebruik, delen van oplossingen en het versterken van de rol van open source in toekomstige beleidslijnen. In deze context is het debat niet louter ideologisch: het raakt technologische industrieën, budgetten en beveiligingsaspecten.

Intussen probeert Google een balans te vinden: ja, soevereiniteit, maar niet zonder openheid. Europa probeert te voorkomen dat afhankelijkheid een kwetsbaarheid wordt. Bedrijven — van mkb tot grote spelers — kijken naar het speelveld en vragen zich af: welk model biedt meer zekerheid, minder risico’s en betere innovatiemogelijkheden?


Veelgestelde vragen

Wat betekent “open digitale soevereiniteit” volgens Google?
Het is een hybride aanpak die streeft naar lokale controle over data en naleving van regelgeving in Europa, zonder volledig exclusief te zijn ten opzichte van wereldwijde technologieën. Het idee omvat allianties tussen Europese en Amerikaanse bedrijven om controle en toegang tot innovatie te combineren.

Waar komt de schatting van 65-95 miljard euro vandaan voor open source software?
Deze komt uit een door de Europese Commissie gepubliceerde studie over de impact van open source hardware en software op de Europese economie, waarin wordt geschat dat de investeringen en hergebruik van open source code dat jaarlijkse bedrag bepalen.

Kan een massale overstap op open source software de cyberveiligheid verbeteren?
Dat hangt af van de situatie. Open source software maakt audits en transparantie mogelijk, maar echte veiligheid vereist voortdurende onderhoud, snelle patches, dependencybeheer en goed opgeleide teams. Zonder voldoende financiering en governance blijft het risico bestaan.

Welke sectoren in Europa kunnen het meest worden beïnvloed door beslissingen over digitale soevereiniteit?
Vooral sectoren die kritieke infrastructuren en gevoelige data beheren: de overheid, gezondheidszorg, energie, telecommunicatie, defensie, banken en grote cloud- en samenwerkingsplatformen.

Scroll naar boven