En de afgelopen jaren was het ontbreken van sociale media heel lang beschouwd als een zeldzaamheid die zichzelf verduidelijkte: gebrek aan interesse, tijd of gewoon een ‘minder digitale’ profiel. Maar tegen 2026 verandert dat beeld fundamenteel. In technologische en professionele kringen wordt het afwezig zijn of minimale aanwezigheid op sociale platforms steeds vaker geïnterpreteerd als een bewuste, geïnformeerde keuze: minder blootstelling, minder oppervlak voor aanvallen en meer controle over de eigen digitale identiteit.
Deze culturele verschuiving is geen toeval. Terwijl platforms zich ontwikkelen tot infrastructuren voor communicatie, marketing en amusement, worden ze ook machines voor dataverzameling en aanbevelingsalgoritmes die strijden om een schaars goed: de aandacht. In dat kader neemt het rustiger zijn op sociale media, oftewel ‘stilte’, niet langer de verdenking weg, maar wordt het steeds meer een strategische keuze.
De digitale identiteit wordt niet langer gezien als een simpel profiel, maar als een soort afdruk — een spoor van signalen zoals interesses, locatie, gewoonten, contacten, routines en consumptiepatronen. Alles wat gedeeld wordt, vormt een deel van dat digitale spoor, maar ook alles wat gestreamd, gezocht of besproken wordt in andere omgevingen draagt bij aan de online identificatie.
Het wegblijven van openbare kanalen betekent niet altijd dat iemand offline is. Vaak beperken gebruikers hun publieke informatie om zoekopdrachten, tracking of correlaties te minimaliseren. Voor tech-savvy personen is het principe helder: door minder data bloot te stellen, verminder je de kans op profiling, sociale engineering en ongewenste opeising van informatie door derden.
Het is geen paranoia, maar digitale hygiëne. Net zoals je een server beveiligt door onnodige services uit te schakelen, kiezen sommige mensen ervoor om hun online aanwezigheid te beperken: ze verwijderen kanalen die geen echte waarde bieden en maken van hun digitale voetafdruk een soort ‘understatement’.
Een bijkomend probleem is de ‘economie van de aandacht’: sociale media optimaliseren de verspreiding van content met het doel gebruikers zo lang mogelijk te blijven vasthouden. Via algoritmes, notificaties en korte video-formats wordt de consumptie gestimuleerd, vaak ten koste van focus en productiviteit. Voor sommigen is het verminderen hiervan geen morele keuze, maar een praktische strategie om cognitieve functies te beschermen en burnout te voorkomen.
Vanuit beveiligingsperspectief beperken minder gedeelde gegevens de kwetsbaarheid voor hacking, phishing en social engineering. Het delen van persoonlijke informatie zoals verjaardagen, reizen of contacten biedt criminelen waardevolle context. Bedrijven en werknemers die bewust hun publieke profiel beperken, beschermen niet alleen hun privacy, maar ook hun organisatie.
Toch betekent minder online delen niet automatisch dat men volledig offline moet gaan. Het gaat vooral om segmentatie en bewuste controle. Een ‘minimaal profiel’, dat enkel wordt gebruikt voor het volgen van relevante bronnen of het ontvangen van signalen, zonder onnodige informatie, wordt steeds meer de norm. Het is een soort ‘stand-by modus’ voor digitale identiteiten.
Daarnaast zien we een terugkeer naar meer stabiele, voorspelbare communicatievormen: nieuwsbrieven, RSS-feeds, fora, private groepen en projectplatforms. Dit alles biedt meer controle en minder manipulatie dan de veelgebruikte algoritmische feeds. Deze verschuiving wordt vaak geïnterpreteerd als een evolutie naar een meer functioneel en praktisch gebruik van het internet — minder zichtbaar, meer beheersbaar.
Psychologisch wijst onderzoek uit dat de belangrijkste factor niet is of iemand op sociale media zit, maar hoe dat gebruik het welzijn, de zelfcontrole en de relaties beïnvloedt. Voor sommigen brengt het afkicken van sociale media rust en vermindert het de stress van constante vergelijkingen en sociale druk. Voor anderen maakt het weinig uit. Vanuit technologisch oogpunt ligt het probleem niet in de platforms zelf, maar in het model van incentives dat ze hanteren en het gebrek aan gebruikerscontrole daarover. Wie zich terugtrekt, doet dat vaak niet omdat hij technologie verwerpt, maar omdat hij kiest voor een productontwerp dat beter aansluit bij zijn wensen.
De nieuwe norm wordt daarom vooral gekenmerkt door selectieve aanwezigheid en minimale gegevensdeling. Het niet actief deelhebben, of enkel spaarzaam gebruiken voor specifieke doelen, wordt steeds meer gezien als een vorm van digitale maturiteit — een bewuste keuze om niet constant ‘aan’ te staan en de eigen digitale voetafdruk te beheersen.
Kortom, het al dan niet gebruiken van sociale media wordt steeds meer een kwestie van strategisch engagement, waarbij men speelt volgens eigen regels en met maximale controle. Een ontwikkeling die aangeeft dat ‘niet altijd aanwezig zijn’ niet betekent dat men niet meedoet, maar juist dat men bewust kiest voor kwaliteit en veiligheid in het digitale tijdperk.
