AI-agents kunnen het internet naar een nieuw tijdperk van privénetwerken duwen

De opkomst van kunstmatige-intelligentieagents kan het internet veel ingrijpender veranderen dan alleen door meer dataverkeer te veroorzaken. Zachary Smith, medeoprichter en CEO van Datum, verwacht dat applicaties, bedrijven en zelfs individuele gebruikers privénetwerken nodig zullen hebben waarmee nauwkeurig kan worden bepaald met welke diensten iedere agent mag communiceren. Zijn visie wijst op een internet dat standaard minder open is en in bepaalde omgevingen meer gaat lijken op gecontroleerde netwerken zoals dat van Visa.

De belangrijkste punten over de toekomst van internet met AI-agents in 30 seconden

  • Zachary Smith verwacht dat AI-agents het aantal applicaties en verbindingen tussen clouddiensten sterk zullen vergroten.
  • Zijn voorstel is om via private connectiviteit te beperken welke systemen iedere agent kan bereiken.
  • De versnippering tussen cloudproviders en eisen rond digitale soevereiniteit maken netwerken complexer.
  • Datum ontwikkelt een netwerkplatform dat in eerste instantie vooral op alternatieve cloudproviders is gericht.
  • De vergelijking met Visa beschrijft een netwerk waarin deelnemers en verbindingen worden gecontroleerd, niet een letterlijke vervanging van het publieke internet.

Smiths visie is vooral interessant vanwege zijn achtergrond. Voordat hij Datum oprichtte, was hij samen met zijn broer medeoprichter van Packet, een platform voor geautomatiseerde bare-metal-infrastructuur dat Equinix in 2020 voor 335 miljoen dollar overnam. Daarvoor was hij betrokken bij Voxel, dat in 2011 werd verkocht. Ook zijn entree in de technologiesector was ongebruikelijk: hij studeerde klassieke contrabas aan Juilliard en begon met computers te werken terwijl hij zijn studie financierde door pc’s te repareren en klanten met internet te verbinden.

Hij denkt dat de internetarchitectuur opnieuw een periode ingaat waarin verschillende grote ontwikkelingen tegelijkertijd samenkomen. AI is daar één van, maar zeker niet de enige.

Van een handvol clouds naar applicaties verspreid over tientallen diensten

Gedurende een groot deel van het afgelopen decennium betekende praten over cloudcomputing vooral praten over Amazon Web Services (AWS), Microsoft Azure en Google Cloud, aangevuld met andere grote aanbieders zoals Oracle.

Kunstmatige intelligentie begint die concentratie gedeeltelijk te veranderen.

Aan de ene kant zijn de zogenoemde neoclouds ontstaan: providers die zich voornamelijk specialiseren in versnelde infrastructuur voor AI. Smith noemt bedrijven als CoreWeave en Lambda als voorbeelden van deze nieuwe categorie.

Maar er vindt nog een andere, minder zichtbare verschuiving plaats.

Moderne applicaties worden steeds vaker opgebouwd door gespecialiseerde diensten te combineren. Een bedrijf kan een deel van een applicatie bij de ene provider draaien, een beheerde database bij een andere gebruiken, authenticatie aan een derde partij uitbesteden, verschillende AI-modellen inzetten en vervolgens nog een ander platform gebruiken voor het verzenden van e-mails.

Het gevolg is dat een applicatie die voor de gebruiker als één geheel functioneert in werkelijkheid afhankelijk kan zijn van tientallen externe diensten.

AI-agents kunnen deze ontwikkeling versnellen doordat ze het eenvoudiger maken om software te ontwikkelen en diensten te integreren. Smith denkt dat AI-ondersteund programmeren het aantal mensen dat applicaties kan bouwen aanzienlijk vergroot, al erkent hij tijdens het interview dat hij geen concrete cijfers heeft om die groei te kwantificeren.

Dat leidt tot een paradox: bepaalde applicaties worden eenvoudiger te ontwikkelen, terwijl de onderliggende infrastructuur juist complexer kan worden.

API’s en protocollen zoals het Model Context Protocol (MCP) maken het mogelijk dat agents en applicaties mogelijkheden ontdekken en met verschillende systemen communiceren. Hoe meer diensten ze automatisch kunnen gebruiken, hoe groter ook de noodzaak wordt om die communicatie te controleren.

Daar ontstaat het probleem dat Smith bijzonder belangrijk vindt.

Waarom een AI-agent geen toegang tot het hele internet zou moeten hebben

Een agent hoeft zich niet te beperken tot het genereren van tekst.

Hij kan databases raadplegen, API’s aanroepen, opslag benaderen, code uitvoeren of bedrijfstools gebruiken. Afhankelijk van zijn rechten kan een agent bovendien zelfstandig acties uitvoeren.

Smith stelt voor om op deze systemen een eenvoudig principe toe te passen: een agent zou alleen moeten kunnen communiceren met de middelen die hij daadwerkelijk nodig heeft.

In plaats van al deze verbindingen via het publieke internet te laten verlopen, bestaat zijn benadering uit het bouwen van privénetwerken tussen geautoriseerde applicaties en providers.

Het voorbeeld dat tijdens het gesprek wordt gebruikt is eenvoudig. Wanneer een applicatie met een specifieke database moet communiceren, zou die verbinding mogelijk moeten zijn zonder de applicatie tegelijkertijd onbeperkte toegang tot de rest van het internet te geven.

Het concept zelf is niet volledig nieuw.

Grote ondernemingen gebruiken al jaren private links, virtual private networks (VPN’s), directe interconnecties en specifieke connectiviteitsdiensten om datacenters, providers en cloudplatforms met elkaar te verbinden zonder uitsluitend afhankelijk te zijn van het publieke internet.

Grote interconnectiedatacenters spelen binnen dat model een belangrijke rol.

Hun bekende meet-me rooms stellen telecomoperators, contentproviders, cloudbedrijven en ondernemingen in staat hun netwerken fysiek met elkaar te verbinden. In plaats van verkeer noodzakelijkerwijs via het publieke internet te sturen, kunnen twee organisaties een private verbinding tussen hun infrastructuren opzetten.

Smith kent deze markt goed uit zijn tijd bij Equinix en denkt dat een vergelijkbaar concept nu van het netwerkniveau naar de applicaties zelf kan verschuiven.

Het verschil zou zijn dat deze connectiviteit eenvoudig genoeg wordt gemaakt om door ontwikkelaars en zelfs softwareagents te worden beheerd, zonder dat zij diepgaande kennis nodig hebben van BGP, autonome systemen, IP-adressering of de onderliggende fysieke infrastructuur.

Een internet dat meer op het Visa-netwerk lijkt

Smith gebruikt Visa als analogie om uit te leggen hoe een deel van het internet zich volgens hem zou kunnen ontwikkelen.

Een betaalnetwerk verbindt banken, betalingsverwerkers en miljoenen bedrijven, maar dat betekent niet dat ieder apparaat zich zomaar kan aansluiten en met iedere deelnemer kan communiceren. Er bestaan controles over wie verbinding mag maken en onder welke voorwaarden.

Zijn hypothese is dat een groeiend deel van digitale applicaties een vergelijkbaar model kan gaan gebruiken.

Een agent zou een vastgestelde identiteit en connectiviteit krijgen. Een onderneming bepaalt welke providers zijn toegestaan. Communicatie tussen diensten kan via privénetwerken plaatsvinden, terwijl organisaties meer mogelijkheden krijgen om het verkeer te inspecteren en het blootgestelde aanvalsoppervlak te verkleinen.

Dat betekent niet dat Smith voorspelt dat het publieke internet zal verdwijnen. De vergelijking met Visa is bedoeld om te beschrijven hoe bepaalde communicatie tussen applicaties, agents en clouddiensten zou kunnen functioneren.

Beveiliging is een van de redenen.

Dezelfde AI-tools waarmee ontwikkelaars snel code kunnen genereren, kunnen ook worden gebruikt om kwetsbaarheden op te sporen en geautomatiseerd systemen te testen die vanaf internet bereikbaar zijn. Volgens Smith vergroot het onnodig toegankelijk houden van applicaties en diensten het aanvalsoppervlak, terwijl private connectiviteit dat kan beperken.

Zijn benadering sluit bovendien aan bij een bekend cybersecurityprincipe: beperk communicatie en privileges tot wat strikt noodzakelijk is.

AI voegt daar schaal aan toe. Als miljoenen nieuwe agents automatisch gaan communiceren met applicaties, API’s en databases, kan bepalen wie met wie mag communiceren net zo belangrijk worden als bepalen welke gebruiker toegang heeft tot bepaalde informatie.

Digitale soevereiniteit voegt nog een laag complexiteit toe

Achter het voorstel van Datum zit nog een derde ontwikkeling: de regelgevende en geopolitieke fragmentatie van het internet.

Smith stelt dat het tijdens de globalisering opgebouwde model uitging van een relatief open wereldwijd netwerk. Inmiddels ontstaan meer beperkingen rond soevereiniteit, gegevenslocatie, toeleveringsketens, technologieregulering en handelsrelaties tussen landen.

Daarbij moet onderscheid worden gemaakt tussen de algemene trend en enkele voorbeelden die tijdens de podcast informeel worden besproken. Smith noemt scenario’s rond nationale eisen voor dataopslag en clouddiensten die niet automatisch mogen worden opgevat als een exacte juridische beschrijving van de huidige wetgeving in ieder land.

De kern van zijn redenering is dat een internationale applicatie mogelijk verschillende providers en geografische locaties moet combineren, afhankelijk van de verwerkte gegevens en de toepasselijke verplichtingen.

Daardoor neemt ook het aantal verbindingen dat moet worden beheerd toe.

Smith vat het probleem samen aan de hand van drie ontwikkelingen: applicaties en gegevens die over meer locaties worden verspreid, een groeiend aantal providers en strengere eisen rond regelgeving en soevereiniteit.

Datum probeert zich precies tussen deze onderdelen te positioneren.

Datum wil een netwerklaag voor de nieuwe clouds worden

Datum omschrijft zijn product als een network cloud, een platform dat de connectiviteit tussen applicaties en providers eenvoudiger moet maken.

De eerste doelgroep bestaat niet hoofdzakelijk uit bedrijven die clouddiensten afnemen, maar uit de cloudproviders zelf.

Smith onderscheidt verschillende categorieën: neoclouds die fysieke AI-infrastructuur bouwen, gespecialiseerde aanbieders van inference en bedrijven die zich richten op gegevensopslag en -verwerking.

Datum beheert daarnaast een eigen netwerk op ongeveer 20 locaties, zo verklaarde Smith tijdens het interview, en breidt die aanwezigheid verder uit. De technologie wordt als open source gepubliceerd onder de AGPLv3-licentie, hoewel voor bepaalde toepassingen die niet aan de voorwaarden van deze licentie willen voldoen een commerciële overeenkomst nodig kan zijn.

De strategie doet bewust denken aan het netwerkeffect van interconnectiedatacenters.

Een datacenter wordt aantrekkelijker wanneer er veel operators en providers aanwezig zijn, omdat iedere nieuwe deelnemer het aantal mogelijke verbindingen voor de andere deelnemers vergroot.

Datum wil een vergelijkbare dynamiek naar software brengen.

Smith noemt als voorbeeld een cloudplatform dat direct kan laten zien met welke applicaties en diensten een klant een private verbinding kan opzetten. De complexiteit van routers, IP-adressen en autonome systemen zou achter eenvoudigere interfaces verborgen blijven.

Het gaat nog om een visie in ontwikkeling. Smith erkent zelf dat Datum pas begint samen te werken met zijn eerste klanten en nog moet aantonen dat het dit netwerkeffect daadwerkelijk kan creëren.

Maar de komst van AI-agents roept een vraag op die veel verder gaat dan één bedrijf.

Decennialang bestond een groot deel van internetbeveiliging uit het eerst mogelijk maken van connectiviteit en vervolgens via authenticatie, firewalls en andere beveiligingslagen bepalen wie toegang tot welke middelen krijgt.

De opkomst van autonome software kan de tegenovergestelde benadering versterken: eerst bepalen welke verbindingen überhaupt mogen bestaan en alle overige verbindingen uitsluiten.

Als agents uiteindelijk voortdurend persoonlijke en zakelijke taken gaan uitvoeren, draait de vraag niet langer alleen om de rechten die een agent heeft. Organisaties en gebruikers zullen ook moeten bepalen met welke delen van het internet een agent überhaupt mag communiceren.

Veelgestelde vragen

Waarom zouden AI-agents privénetwerken nodig kunnen hebben?

Omdat ze automatisch kunnen communiceren met API’s, databases, applicaties en andere diensten. Smith stelt voor deze verbindingen te beperken tot geautoriseerde systemen om onnodige blootstelling aan het publieke internet te verminderen.

Gaat het publieke internet verdwijnen?

Dat is niet wat Smith voorspelt. Zijn verwachting is dat private connectiviteit vaker zal worden gebruikt voor bepaalde communicatie tussen bedrijven, applicaties, clouddiensten en AI-agents.

Waarom vergelijkt Zachary Smith de toekomst van het internet met Visa?

Hij gebruikt Visa als analogie voor een groot maar gecontroleerd netwerk waarin deelnemers worden geïdentificeerd en verbindingen volgens vastgestelde regels verlopen. Hij stelt niet voor om het internet letterlijk in een betaalnetwerk te veranderen.

Wat doet Datum?

Datum ontwikkelt een connectiviteitsplatform dat het bedrijf een network cloud noemt. Het doel is private verbindingen tussen applicaties en cloudproviders eenvoudiger te maken, met in eerste instantie een focus op neoclouds, inferenceproviders en dataplatforms.

Scroll naar boven