De algemene energietekort en de groeiende vraag naar krachtige en betrouwbare energiebronnen voor kunstmatige intelligentie (AI) centres zetten de traditionele oplossingen onder druk. In dit kader wordt momenteel een opmerkelijk voorstel besproken dat de aandacht trekt in Washington en de technologiesector: het hergebruiken van geavanceerde nucleaire reactors die ooit op schepen en onderzeeërs van de Amerikaanse marine hebben gestaan, om grote AI-centra te voeden.
Het initiatief wordt geleid door HGP Intelligent Energy, een Amerikaans bedrijf dat de ideeën heeft ingediend bij het Amerikaanse Department of Energy (DOE). Het plan omvat de installatie van twee bestaande scheepsreactoren in Oak Ridge, Tennessee, gelegen te midden van een wetenschappelijk en industrieel ecosysteem dat al decennia lang rondom het nationale laboratorium van Oak Ridge is opgebouwd. Deze reactors zouden samen een continue output leveren van ongeveer 450 MW en 520 MW, wat voldoende is om grote datacenters volledig van stroom te voorzien.
Waarom wordt dit voorstel nu serieus overwogen? De voorbije jaren was de discussie over datacenters vooral gericht op het uitbreiden van het elektriciteitsnet via hernieuwbare bronnen, contracten voor duurzame energie (PPA’s) en gas als back-up. De explosieve groei van AI – met constante training, inferentie en 24/7 beschikbaarheid – heeft het belang van stabiele en betrouwbare energiebronnen opnieuw op de agenda gezet. Het idee van een ‘baseload’-energievoorziening, dat bij velen al afgedankt leek, krijgt plots weer belangstelling.
Tegelijkertijd zijn grote techbedrijven actief bezig met nucleaire technologieën, met name het concept van kleine modulaire reactors (SMR’s). Wat HGP anders doet, is niet het bouwen van volledig nieuwe reactors, maar het herbestemmen van bestaande en technisch bewezen militaire reactoren die ontworpen waren voor extreem zware omstandigheden en decennia-lang operationeel kunnen blijven.
Volgens de ingewijden wil HGP het gebruik van drukwaterreactoren (PWR’s) – het soort reactor dat al decennia door de Amerikaanse marine wordt gebruikt – mogelijk maken voor civiele toepassingen. Het voorstel is om deze reactors rechtstreeks te koppelen aan een datacenter met een constante vraag naar energie, in plaats van de stroom te verkopen op de vrije markt. Het project vraagt om financiële ondersteuning van het DOE, met een geschat investeringsbedrag tussen de 1,8 en 2,1 miljard dollar, met een geplande oplevering rond 2029.
Als dit plan slaagt, zou het een historisch precedent scheppen: de eerste conversie van een militair reactor naar civiel gebruik met het expliciete doel het ondersteunen van digitale infrastructuur. Het idee spreekt aan omdat het inspeelt op de behoefte aan constante stroom voor AI-activiteiten, onafhankelijk van het lokale net en de beschikbaarheid van infrastructuur.
Cloudbedrijven en datacenterontwikkelaars willen immers betrouwbare energie voor hun kritieke workloads, zonder afhankelijk te zijn van afhankelijkheden zoals netbeheerders en vergunningstrajecten. Herbruikbare reactoren zouden kunnen zorgen voor een snellere en mogelijk goedkoper alternatief ten opzichte van het bouwen van nieuwe nucleaire installaties of het expanderen van hernieuwbare energie en opslag op een schaal die 24/7 zekerheid biedt.
Echter, het hergebruik van militaire reactoren brengt significante regelgevende en veiligheidsuitdagingen met zich mee. De bestaande civiele nucleaire regelgeving (door de Nuclear Regulatory Commission, NRC) is afgestemd op commerciële kerncentrales, niet op reactors die ontworpen en gebouwd zijn voor militaire doeleinden en onder strengere geheimhouding en militaire controle staan. Het gebruik van reactorgebruik binnen civiele infrastructuur vraagt om nieuwe regelgevingen en forse aanpassingen in de licentie- en veiligheidsprocedures. Daarnaast is er het probleem van het gebruikte nucleaire materiaal, dat vaak zeer hoogverrijkt is en veiligheidsrisico’s en proliferatiekwesties met zich meebrengt.
Kortom, hoewel het idee veel potentieel heeft, hangt de uitvoering af van politieke, wettelijke en veiligheidsfactoren. Zonder politieke wil en een aangepaste regelgeving kunnen deze plannen jaren vertraging oplopen of afgesloten worden. Het herbestemmen van militaire reactoren voor civiel gebruik kan dus een kwestie van politieke keuzes worden, niet enkel technische haalbaarheid.
Wanneer we de verschillende opties vergelijken voor het voeden van grote datacenters, komen hergebruikte militaire reactors als een interessante, zij het complexe, mogelijkheid naar voren. Alternatieven zoals nieuwe SMR’s bieden wellicht meer zekerheid op lange termijn, terwijl hernieuwbare energie altijd afhankelijk zal blijven van opslag en netcongestie. Fossiele brandstoffen bieden snelheid, maar ondermijnen de milieudoelstellingen.
In samenvatting, als dit initiatief lukt, opent het een nieuwe weg voor energievoorziening van AI-infrastructuur, met meer controle en voorspelbaarheid. Tegelijkertijd vereist het een stevige politieke en regelgevingsmatige aanpak om de risico’s te beheersen en de innovatie mogelijk te maken. Voorlopig blijft het concept een fascinerend voorbeeld van hoe militaire technologie een nieuwe rol zou kunnen spelen in de digitale en energietransitie.
